Engel is geschreven in een beeldende, psychologische stijl waarin spanning, donkere humor en verwondering naast elkaar mogen bestaan. Het verhaal beweegt vooruit, maar nooit in één rechte lijn.
In het heden trekt Engel aan een spoor dat steeds dichter bij hemzelf uitkomt. Het verleden verschijnt niet als losstaande achtergrond, maar grijpt stap voor stap in op wat er gebeurt. Wat eerst slechts een herinnering lijkt, verandert later misschien wat je dacht te weten. Daardoor kom je steeds dichter bij Engel zelf te staan: bij zijn beweegredenen en zijn blinde vlekken en de sporen van een verleden dat hem gevormd heeft.
Daartussen liggen korte, poëtische en soms filosofische reflecties. Rustpunten waarin het verhaal vertraagt en ruimte maakt voor wat niet alleen in gebeurtenissen past: liefde, schuld, identiteit, angst en verwondering. Ze leggen niets uit, maar laten de lezer zelf kijken, voelen en verbanden leggen.
Die drie bewegingen geven Engel zijn eigen ritme. Het heden drijft vooruit. Het verleden verklaart, maar haalt ook in. De reflecties laten nazinderen. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen spanning en rust, waarin elk moment zijn eigen gewicht krijgt.