Gratis leesvoer
Schrijvers schrijven omdat ze gelezen willen worden, omdat woorden pas echt bestaan wanneer iemand ze meeneemt.
Daarom geef ik hier met plezier een voorsmaakje. Enkele teksten om te lezen, te laten liggen of opnieuw te openen. Sommige kan je hier ontdekken, andere mag je gratis meenemen als e-book.
Veel leesplezier. En neem gerust de tijd.
De val van Alexander Kovacs
In een wereld waar klokken alles lijken te weten maar niets verraden, ontrafelen twee concertorganisatoren een val die meer onthult over macht, schuld en schoonheid dan over wie viel, of wie liet vallen.
©Stef Vekemans (2024)
The Beer or the Man?
A short story about an adventure in an average bar. Loosely based on a true story... (in English)
©Stef Vekemans (2018)
Homo Festivalicus
Muziekfestivals zijn merkwaardige plekken. Niet omdat er muziek wordt gespeeld. Muziek is al eeuwen alomtegenwoordig. Festivals verhandelen iets anders. Ze verkopen het gevoel dat je, samen met tienduizenden onbekenden, deel uitmaakt van iets uitzonderlijks. Dat de wereld voor een paar dagen dagen overzichtelijker wordt dan anders. Dat iedereen een vriend kan zijn, zolang de bassen luid genoeg dreunen of gitaren scheurend door je lijf gieren.
Vooral meerdaagse festivals spreken tot de verbeelding. Jongeren leven er maanden naartoe, maar vergis je niet: de gemiddelde festivalweide is allang geen verzameling pubers meer. Je vindt er studenten die een heel schooljaar lang pistolets in papieren zakken hebben gestoken om een ticket te kunnen betalen, maar evengoed arbeiders, advocaten, verpleegkundigen, leerkrachten, ingenieurs en bedrijfsleiders die hun zorgvuldig opgebouwde volwassen leven enkele dagen inruilen voor een luchtmatras, een chemisch toilet en een halve liter lauw bier en cocktails.
Na een jaartje sparen wordt het zuurverdiende geld vervolgens met bewonderenswaardige efficiëntie uit de portefeuille van de bezoeker gezogen. Dat gebeurt overigens zo vriendelijk dat bijna niemand het erg lijkt te vinden. In ruil krijg je een mensenzee, een primitieve kampeerplaats — al zijn er tegenwoordig ook opvallend comfortabele opties voor wie bereid is nog wat extra neer te tellen — een evenwichtig dieet van frieten, hamburgers en bier, muziekoptredens die goed zijn omdat de mainstream beslist heeft dat ze goed zijn en een constante stroom positieve propaganda.
Vooral dat laatste vormt al decennialang een fundamenteel onderdeel van de festivalbeleving.
Festivals verkopen immers veel meer dan muziek. Ze verkopen verbondenheid. Vrijheid. Vriendschap. Een gevoel van thuiskomen tussen mensen die je vijf minuten eerder nog nooit hebt gezien. Het product is dat iedereen gelijk is zodra de eerste noten weerklinken en tienduizenden stemmen hetzelfde refrein meebrullen.
Dat is overigens geen nieuw gegeven.
Iedereen kent Woodstock, de moeder der festivals. Je zal het ongetwijfeld met me eens zijn: dat evenement heeft iets losgemaakt in de wereld. Honderdduizenden vonden de weg naar het kleine stadje en nog eens het dubbele beweerde er achteraf bij geweest te zijn. Woodstock groeide uit tot het symbool van een generatie die geloofde dat liefde, vrede en muziek de wereld konden veranderen.
Of tenminste: dat is het verhaal dat we onszelf graag blijven vertellen, en waar vooral de verkopers van merch, films en documentaires over Woodstock nog altijd bijzonder goed aan verdienen.
De artiesten die er optraden waren op zijn minst progressief te noemen. De boodschappen die over het terrein weerklonken ademden wereldvrede, gelijkheid en liefde. Het is ontegensprekelijk waar dat zulke boodschappen tijdens een concert bijzonder aanstekelijk werken. Wanneer duizenden mensen tegelijk een vredesteken maken of elkaar spontaan beginnen te omhelzen, lijkt het haast onmogelijk om nog cynisch te blijven. Muziek bezit nu eenmaal een zeldzame gave: ze doet mensen heel even geloven dat verschillen er niet toe doen.
En misschien geloven ze dat op dat moment ook echt. Maar festivals veranderen de wereld niet.
Dat hebben Woodstock, Rock Werchter, Pukkelpop, Graspop, Tomorrowland en alle festivals die nog zullen volgen ondertussen wel bewezen. De affiches veranderen. De muziek evolueert. De slogans worden moderner en de hashtags slimmer. Alleen het product blijft identiek: de overtuiging dat de wereld voor heel even beter is dan ze werkelijk is.
Misschien is dat ook precies waarom festivals zo succesvol zijn. Niet omdat ze de werkelijkheid tonen. Maar omdat ze ons drie dagen lang toelaten eraan te ontsnappen.
De magie van een festival is bovendien opmerkelijk vluchtig. Ze duurt ongeveer even lang als het optreden.
Wanneer de gitarist zijn versterker loskoppelt, de dj zijn laatste plaat heeft gedraaid en de festivalomroeper vriendelijk meldt dat het tijd is om de weide te verlaten, zet de massa zich bijna automatisch in beweging richting uitgang. Het zorgvuldig opgebouwde Utopia verdwijnt in enkele minuten. De wereld waarin iedereen elkaar graag ziet, maakt vliegensvlug plaats voor een eindeloze stoet mensen die plots opnieuw haast hebben, voorbijsteken, tegen elkaar oplopen en luidkeels laten weten wat ze van elkaars moeder vinden, al worden voor de gezelligheid vaak nog wel meezingers ingezet bestaande uit hoogstens 2 klinkers.
Maar de liefde, die blijkt verrassend vaak te eindigen aan de uitgang. Al begint het echte festival volgens mij pas daarna.
Wie de mens écht wil bestuderen, moet namelijk niet voor een podium gaan staan, maar op een festivalcamping. Ik werk er ondertussen al jaren en durf met enige overtuiging te stellen dat geen enkele socioloog ooit een interessanter onderzoeksgebied heeft gevonden.
Op een festivalcamping gebeurt iets merkwaardigs. Mensen die thuis perfect functioneren, veranderen er gedurende enkele dagen vrijwillig in een diersoort waarvan biologen lang dachten dat ze uitgestorven was.
Dezelfde mensen die thuis hun afval zorgvuldig sorteren, gooien zonder verpinken hun lege bekers, blikken, voedselresten, goedkope made-in-china-partytenten en kapotte luchtmatrassen naast de tent. Mensen die in het dagelijkse leven anderen aanspreken op hoffelijkheid, laten de toiletten achter alsof ze persoonlijk een oorlog tegen de sanitaire infrastructuur voeren. Materiaal van medekampeerders verdwijnt, stoelen wisselen spontaan van eigenaar en een tent blijkt voor sommigen niet meer dan een gratis souvenir met rits.
Het mooiste is dat dit allang niet meer uitsluitend over jongeren gaat. Integendeel.
Tussen de tenten lopen mensen die maandag opnieuw verantwoordelijke functies opnemen, belangrijke beslissingen nemen en hun kinderen vertellen dat afval in een vuilnisbak hoort. Vrijdagavond plassen ze echter zonder enige gêne tegen een boom of hekwerk terwijl het toilet zich letterlijk tien meter verder bevindt.
Festivals hebben blijkbaar de bijzondere gave om het verschil tussen beschaving en barbarij tijdelijk op te schorten. Toch schuilt daarin ook iets ontwapenends.
Status bestaat er nauwelijks. De CEO staat gewoon mee aan te schuiven voor een hamburger. De chirurg staat vloekend een haring uit de grond te trekken. De advocaat staat met een rol toiletpapier onder de arm aan te schuiven voor een mobiel toilet dat hij thuis nog niet voor zijn grootste vijand zou reserveren.
Heel even wordt iedereen opnieuw gelijk. Al helpt het uiteraard wanneer je eruitziet alsof je de afgelopen zes maanden uitsluitend kip, rijst en broccoli hebt gegeten.
Festivals zijn namelijk ook een catwalk zonder jury. Sommigen verschijnen in nauwelijks enkele vierkante centimeters textiel en lijken daar een half jaar naartoe gewerkt te hebben — vrouwen die met zichtbaar plezier hun zorgvuldig opgebouwde silhouet tonen, mannen die hun gespierde bovenlijf als een trofee meedragen — en eerlijk is eerlijk, daar kijkt niemand echt van weg. Het oog wil ook wat, maar het is vooral de vrijheid die opvalt: de vanzelfsprekendheid waarmee mensen hun lichaam tonen zoals het is, zonder schaamte, zonder verontschuldiging. Anderen trekken zich daar dan weer geen moer van aan en wandelen met dezelfde overtuiging rond in een versleten trainingsbroek, een afgedragen metalshirt of een fluohesje dat ze toevallig nog in de koffer van hun auto vonden — mannen die er rotsvast van overtuigd zijn dat hun torso minstens evenveel applaus verdient, en vrouwen die zich niets aantrekken van verwachtingen en gewoon kiezen voor comfort boven alles. En misschien is dat nog het mooiste: dat schoonheid er in al haar vormen mag zijn, niet als iets om te beoordelen, maar als iets om simpelweg te laten bestaan.
En het wonderlijke is dat niemand zich daar echt aan stoort. Misschien is dat nog het meest bevrijdende aan een festival. Voor even lijkt niemand nog bezig met wie je bent. Alleen met wie je op dat moment wilt zijn.
Festivals zijn bovendien een economisch meesterwerk. Daar moet je, los van elke morele discussie, gewoon respect voor hebben.
Slaag erin honderdduizenden mensen maanden op voorhand te laten smeken om een ticket. Verkoop hen vervolgens eten, drinken, lockers, douches, poncho's, opladers, oordoppen, glitter, petten, zonnebrillen en alles waar toevallig een festivallogo op staat. Laat hen eerst digitale munten kopen om daarna met die digitale munten een hamburger te betalen die ze thuis waarschijnlijk zouden terugbrengen omdat hij niet warm genoeg is. En doe dat allemaal zonder dat iemand zich nog afvraagt waarom een halve liter bier plots de prijs van een bescheiden restaurantbezoek benadert.
Dat is geen oplichting. Dat is economie op olympisch niveau. En toch betaalt bijna niemand met tegenzin. Niet voor het bier. Niet voor de hamburger. Niet voor de veel te dure regenponcho waarvan iedereen op voorhand weet dat hij na drie uur zal scheuren. Niemand koopt trouwens een regenponcho omdat hij zo'n mooie regenponcho wil bezitten. Ze betalen voor het gevoel erbij te horen.
Misschien is dat wel het enige product dat festivals werkelijk verkopen.
Na al die jaren op festivalcampings ben ik er bovendien van overtuigd geraakt dat biologen dringend een nieuwe ondersoort aan de menselijke evolutie moeten toevoegen: Homo Festivalicus.
Een fascinerend wezen. Hij verlaat zijn natuurlijke habitat meestal op donderdag en keert er maandag, licht uitgedroogd en enkele honderden euro's armer, opnieuw naar terug. Overdag is hij opvallend sociaal, 's nachts luidruchtig. Meestal vriendelijk, al kan hij op de camping plots omslaan: nors, ongeduldig, soms ronduit onbeschoft tegenover medewerkers, of simpelweg onverstaanbaar. Hij beschikt over een opmerkelijk aanpassingsvermogen, kan drie dagen functioneren op nauwelijks slaap en een dieet dat hoofdzakelijk bestaat uit bier, frieten en energiedrank.
Zijn territorium wordt afgebakend met partytenten, bierbakken en een luidspreker van bedenkelijke kwaliteit. Hij communiceert hoofdzakelijk met éénlettergrepige kreten, is ervan overtuigd dat iedereen zijn muzieksmaak deelt en ontwikkelt tijdens festivals gedragingen waarvan zelfs ervaren gedragspsychologen zich afvragen welke gedachte er ooit aan voorafging.
Waarom besluit iemand om om vier uur 's nachts een winkelkarretje over een camping te duwen? Waarom lijkt het een uitstekend idee om een opblaasbare flamingo in een boom te hijsen? Waarom sleurt iemand een volledig verkeersbord mee naar zijn tent, alsof dat maandagochtend perfect in de woonkamer zal passen? En vooral: waarom vindt de rest van de camping dat op dat moment eigenlijk een schitterend plan?
Het zijn vragen waarop de wetenschap voorlopig het antwoord schuldig blijft. En misschien is dat maar goed ook. Eén ding lijkt wel vast te staan: Homo Festivalicus herkent zijn soortgenoten feilloos, maar slaagt er zelden in zichzelf ertussen te herkennen.
Maar hoe langer je naar festivals kijkt, hoe meer je beseft dat ze uiteindelijk niet over muziek gaan. Ze gaan over mensen. Over onze vreemde behoefte om af en toe iemand anders te mogen zijn.
Om verantwoordelijkheid heel even in te ruilen voor vrijheid.
Om onbekenden spontaan te omhelzen. Om uit volle borst mee te zingen met een lied waarvan we amper de helft van de tekst kennen.
Om een paar dagen lang te geloven dat de wereld eenvoudiger is dan ze werkelijk is. Misschien schuilt daarin wel de ware magie van een festival.
Niet dat het de wereld verandert. Dat heeft Woodstock niet gedaan. Rock Werchter niet. Pukkelpop niet. Tomorrowland niet. En het volgende festival waarschijnlijk ook niet. Maar heel even verandert het wel de mensen die er rondlopen.
Of beter gezegd: het geeft hen de toestemming om even iemand anders te zijn. In een wereld waarin we voortdurend geacht worden onszelf te zijn, is dat waarschijnlijk nog het meest bijzondere van allemaal.
En maandagochtend rijden we opnieuw naar huis. Een beetje moe, een beetje vuil, een paar honderd euro lichter, maar vreemd genoeg ook een beetje rijker. Misschien is dat uiteindelijk de enige vorm van magie die werkelijk bestaat: een plaats verlaten met exact dezelfde wereld als waarin je aankwam, en toch het gevoel hebben dat er iets veranderd is.
© Stef Vekemans (2014 & 2026)
Als ge heel goed kijkt
In de diepte van de oceaan, waar koralen hun kleuren dragen als een feest van gezonken regenbogen, houdt diepe schoonheid zich verborgen. Daar, waar de zon haar stralen als liefkozingen door het water stuurt, zien we de dans van licht en schaduw golven.
Op de toppen van bergen, waar de lucht zo ijl is dat ademhalen een kunst wordt, wacht de hoogste schoonheid. Daar, waar de sneeuw eeuwig lijkt te rusten als een deken van stilte, zien we gesteenten gevormd door de gratie van wind en tijd.
In de vlaktes van de woestijn, waar het zand zich verzamelt als geduldige toeschouwer van het nu, ontvouwt zich een mysterie zo oud als de tijd zelf. Daar, waar de hitte walst door het landschap, ontdekken we de eenvoud van lijnen die als gedichten geschreven zijn op het gouden canvas van de aarde.
En in de weelderige bossen, waar het leven zich verweeft tot een symfonie van groen, ligt geen schat, maar een levende ode aan de eeuwige cyclus van vernieuwing. Daar, waar de bomen fluisteren met de stem van de wind, onthullen ze de wijsheid van de natuur zelf, elke bladerenruis een hoofdstuk in het eindeloze boek van het leven.
Maar ware schoonheid is niet slechts een kwestie van eerste indrukken, noch van indrukken van haast onweerlegbare schoonheid, ontsluierd door eenstemmigheid. Ook is het niet alleen te vinden in de blik van eenieder die voorbijgaat.
Nee, ware schoonheid onthult zich enkel aan degenen die de moed hebben om te vertragen, te wachten, om te luisteren naar de fluisteringen van het hart. En dan, wanneer we het moment vastgrijpen, om te kijken, om werkelijk te zien, ontdekken we dat schoonheid niet exclusief is voorbehouden aan diegenen die erom schreeuwen of zij die er wanhopig naar op zoek zijn.
Nee, het is te vinden in de stille wijsheden van de waarheid, in de vriendelijkheid van een barmhartige vreemdeling, in de kracht van een moeder die haar kind omarmt. Want ware schoonheid, mijn vriend, is als een zeldzame bloem in een uithoek die geduldig wacht op de stralen van de zon. Het is de glinstering in de ogen van een oudere vrouw wiens levensverhaal in haar verkreukelde ooghoeken gebeiteld is, het is de zachtheid van een jonge ziel die nog droomt van ooit te kunnen vliegen.
Laat de schittering van oppervlakkige pracht niet verblinden, maar open je ogen, ontluik de ware schoonheid van de wereld om je heen. In de diepten van de oceaan, op de toppen van bergen, in de vlaktes van de woestijn, en in de weelderige bossen. Want in de eindeloze spiegel van het universum weerspiegelt zich de pracht van de bron des levens, maar het schoonste, ontdekt en bewonderd, het aller schoonste, als ge heel goed kijkt, dat bent gij.
© Stef Vekemans (2024)
Jij
Waar dromen dansen,
In een scheur in de tijd,
Sierlijk en scherp,
Adembenemend.
De breuk leeft,
Een grens tussen nooit en altijd,
Het moment blijft hangen,
En daar ben jij.
© Stef Vekemans (2023)
Acrostichon
Stil, onder het alziend oog van de dageraad, zoekt hij de verborgen tinten,
Taal verweven in zijn wezen, een kompas voor het zwervend hart,
Elk uur een kostbare parel, geplukt uit de weelde van het bestaan,
Fantasie vloeit als een eeuwige bron, rijk en onuitputtelijk.
© Stef Vekemans (2023)