Niet alles aan Engel komt uit het donker: Over de verhalen die me leerden wat een mens bijeenhoudt

Gepubliceerd op 26 augustus 2026 om 13:24

Sommige verhalen breken de wereld open. Andere leren je wat een mens bijeenhoudt wanneer dat gebeurt.

In een vorige blog schreef ik over de verhalen die de speculatieve laag van Engel mee vormden. Over werelden die niet zo betrouwbaar blijken als ze zich voordoen. Over werkelijkheden met verdiepingen, valse plafonds en nooduitgangen die pas zichtbaar worden wanneer iemand toevallig tegen de juiste muur leunt. The Matrix, The Truman Show, Ubik, The OA: verhalen die niet alleen vragen wat er achter het decor schuilgaat, maar ook wie dat decor daar heeft neergezet.

Toch komt niet alles aan Engel uit die hoek. Een boek kan nog zoveel deuren naar andere werkelijkheden bevatten, als er achter die deuren niemand staat om wie je geeft, blijven het gewoon deuren. Het zijn uiteindelijk niet de theorieën, organisaties of geheimen die een verhaal doen leven. Het zijn de mensen die er hun hoofd aan stoten. Mensen met een gezin, een verleden, een paar slechte gewoontes en misschien nog een vergeten stuk kroket tussen hun tanden.

De andere helft van Engel ontstond daarom uit verhalen die mij niet leerden hoe je de werkelijkheid in twijfel trekt, maar hoe je erin blijft staan.

Verhalen over verwondering en eenzaamheid. Over kinderen die sneller zien wat volwassenen zorgvuldig hebben leren negeren. Over buitenstaanders, zonderlingen en kleine mensen die iets moeten dragen dat eigenlijk te groot voor hen is. Over humor op plaatsen waar die officieel niet thuishoort, maar waar ze des te harder nodig is.

Een prins op vijftig frank

De kleine prins is voor mij onlosmakelijk verbonden met mijn moeder.

Toen ik klein was, gingen we op vakantie naar Frankrijk. Dat was nog in de tijd waarin je bij het oversteken van de grens niet alleen van landschap, taal en bakker veranderde, maar ook van geld. Op het briefje van vijftig Franse frank stond Antoine de Saint-Exupéry, samen met zijn kleine prins. Mijn moeder vertelde me over dat jongetje, zijn planeet, zijn roos en zijn reizen.

Zo werd een bankbiljet een toegangsbewijs tot een andere wereld. Mijn moeder noemt me nog altijd weleens “prins”. Geheel terecht uiteraard. Al vermoed ik dat ze daarbij niet altijd uitsluitend mijn adellijke waardigheid voor ogen heeft.

Le Petit Prince was bovendien het eerste boek dat ik volledig in het Frans las. Dat voelde op zichzelf al als een kleine reis. Niet alleen omdat ik een andere taal binnenstapte, maar omdat het een verhaal is dat verandert terwijl je ouder wordt. Als kind zie je de planeten, de vos en de tekeningen. Later herken je de eenzaamheid, de verantwoordelijkheid en de vreemde manieren waarop mensen zichzelf bezighouden om niet te hoeven voelen wat werkelijk belangrijk is.

Dat heeft iets in mij achtergelaten. Ook in Engel is verwondering geen versiering. Ze is een manier van kijken. Engel ziet dingen die anderen voorbijlopen. Een reiger krijgt een naam. Een wandeling langs de Nete is nooit alleen een verplaatsing van het ene punt naar het andere. Een boekhandel is geen winkel, maar een plek waar mensen ongemerkt andere levens binnenstappen.

Wie aandachtig genoeg kijkt, ontdekt dat het alledaagse voortdurend op het punt staat iets anders te worden.

Elf jaar en plots niet meer alleen

Ik ontdekte Harry Potter toen ik zelf elf was. Dat detail lijkt bijna te mooi om waar te zijn, maar het leven heeft af en toe gevoel voor timing. Harry kreeg op die leeftijd te horen dat de wereld groter was dan hij dacht. Ik kreeg een boek waarin stond dat zoiets mogelijk was.

Ik heb de reeks daardoor nooit alleen als een verhaal gevolgd. De boeken werden compagnons. Ze groeiden mee. Terwijl de personages ouder werden, werd hun wereld ingewikkelder, donkerder en minder veilig. Dat gold buiten de bladzijden helaas ook. Maar telkens verscheen er opnieuw een boek dat zei: we zijn er nog, kom binnen.

Achteraf bekeken zat de magie voor mij niet alleen in spreuken, kastelen of vliegende bezems. Ze zat vooral in het idee dat een kind dat zich verkeerd geplaatst voelt toch ergens kan thuishoren. Dat vrienden soms familie worden. Dat moed niet betekent dat je nergens bang voor bent, maar dat je ondanks die angst toch de volgende gang in loopt.

Engel is geen klassieke held. Hij is een boekhandelaar, een echtgenoot, een vader. Hij kent twijfel beter dan daadkracht en zou vermoedelijk liever eerst een kop thee zetten voor hij de confrontatie met het kwaad aangaat. Dat maakt hem voor mij net geloofwaardig. Grote dingen worden zelden uitsluitend gedragen door mensen die zich ervoor gekwalificeerd voelen.

Soms worden ze gedragen door iemand die eigenlijk gewoon naar huis wil.

Een jongen, een hond en een vloekende kapitein

Kuifje leerde me dan weer dat je voor een mysterie niet noodzakelijk een volledig rechercheteam nodig hebt.

Een trouwe viervoeter helpt. Een vloekende kapitein ook. Maar belangrijker was iets anders: Kuifje wachtte niet tot iemand hem toestemming gaf om nieuwsgierig te zijn. Niemand moest hem vertellen dat hij bevoegd, oud genoeg, ervaren genoeg of belangrijk genoeg was om op onderzoek uit te gaan. Hij zag dat er iets niet klopte en begon eraan.

Dat is misschien wel een van de gevaarlijkste ideeën die je een kind kunt geven. Ook een van de waardevolste.

Kuifje liet je dromen dat de wereld vol verborgen doorgangen, gecodeerde boodschappen en vreemde figuren zat, maar vooral dat je zelf op de eerste deur mocht kloppen. Je had niemand nodig om te bepalen waartoe je in staat was. Hoogstens iemand die onderweg kleurrijk vloekte wanneer het allemaal weer eens uit de hand liep.

Die nieuwsgierigheid zit diep in Engel. Niet de nieuwsgierigheid van iemand die denkt dat hij alles zal begrijpen, maar die van iemand die eenvoudigweg niet kan verdragen dat een vraag onbeantwoord blijft. Engel begint niet aan zijn zoektocht omdat hij zichzelf als held beschouwt. Hij begint omdat iets niet klopt. Soms is dat voldoende om een heel leven te ontregelen.

Wie volwassen wordt, heeft niet noodzakelijk gelijk

Als De kleine prins iets is wat ik van mijn moeder meekreeg, dan is Peter Pan een drijfveer die ik zelf ben blijven opzoeken.

Ik hou van het oorspronkelijke verhaal, maar ook van de vele bewerkingen die ik in boeken, films en het theater zag. Elke versie legt andere accenten. Soms is Neverland een bevrijding, soms een vlucht. Soms is Peter onweerstaanbaar, soms ondraaglijk. Meestal is hij beide, zoals wel meer mensen die weigeren volwassen te worden (al zien we in de prachtige bewerking van Steven Spielberg, "Hook", even een andere versie).

Wat mij blijft aantrekken, is niet het eenvoudige verlangen om eeuwig jong te blijven. Mijn rug en mijn administratie hebben dat plan intussen toch enigszins ondermijnd. Het gaat om iets anders: de weigering om verwondering te verwarren met naïviteit.

Volwassen worden betekent vaak dat we leren welke vragen we niet meer horen te stellen. We leren wat onmogelijk is, wat ongepast is, wat “nu eenmaal zo werkt”. Peter Pan blijft daar koppig tegenin vliegen.

Die koppigheid herken ik omdat het kind in ons soms als eerste merkt dat er iets niet klopt. Voor een volwassene is een deur een deur. Voor een kind is ze ook een mogelijkheid. In Engel wilde ik beide blikken naast elkaar laten bestaan: die van de man die verantwoordelijkheden draagt en die van de jongen die nog altijd vermoedt dat achter een gesloten deur iets wonderlijks of verschrikkelijks kan wachten. Vaak allebei.

De wereld van Dahl en De Bel

Roald Dahl en Marc De Bel begrepen allebei dat kinderen veel aankunnen, zolang je hen niet behandelt alsof ze van porselein zijn.

Hun werelden zijn speels, maar nooit ongevaarlijk. Volwassenen kunnen er dom, zelfingenomen, wreed of volkomen onbruikbaar zijn. Kinderen staan er niet netjes aan de zijlijn te wachten tot iemand met een rijbewijs het probleem oplost. Ze denken, verzinnen, liegen wanneer dat nodig is en ontdekken dat slimheid soms de enige superkracht is die werkelijk bestaat.

Bij Dahl komt het groteske bovendien vaak akelig dicht bij het herkenbare. Zijn monsters hebben niet altijd klauwen. Soms zijn het schoolhoofden, familieleden of keurige volwassenen die precies weten hoe iemand zich hoort te gedragen. De humor maakt hun wreedheid niet kleiner. Ze maakt haar zichtbaar.

Marc De Bel gaf dat avontuurlijke gevoel een Vlaamse nabijheid. Zijn verhalen bewezen dat verbeelding niet altijd een Engelse kostschool, een verre planeet of een geheime wereld achter een kleerkast nodig heeft. Het vreemde kon ook gewoon achter de volgende boom, in een dorp of op een plek liggen die verdacht veel leek op je eigen omgeving. Daardoor voelde avontuur niet als iets waarvoor je eerst een vliegtuigticket nodig had.

Dat idee was belangrijk voor Engel. Het verhaal begint niet in een futuristische wereldstad of een ondergronds laboratorium, maar in Lier. In een boekhandel. Bij een gezin. Langs een rivier waar een reiger rondhangt die Charlie heet. Het onmogelijke wordt pas echt interessant wanneer het aanbelt op een adres dat je kent.

Naar huis bellen

Van alle films die mij vergezelden, neemt E.T. een aparte plaats in. Ik ken hem nagenoeg uit het hoofd. Niet alleen de dialogen, maar ook de shots, de overgangen en de momenten waarop de muziek van John Williams binnenkomt. Ik weet wanneer een cue begint voor hij werkelijk hoorbaar wordt. Dat is wellicht nutteloze kennis, maar nutteloze kennis is vaak de trouwste soort.

Als kind zag ik vooral de fiets tegen de maan, het buitenaardse wezen, de vriendschap en het avontuur. Later zag ik ook de eenzaamheid van Elliott. Het verlangen om gezien te worden door iemand die zelf nergens thuishoort. De angst om opnieuw verlaten te worden. En bovenal die eenvoudige, allesomvattende behoefte om naar huis te kunnen.

E.T. is sciencefiction, maar de technologie is niet wat de film draagt. Dat doet de verbondenheid. Het wonder werkt omdat het terechtkomt in een rommelig huis waar mensen elkaar liefhebben, missen, irriteren en niet altijd weten hoe ze dat moeten zeggen.

Ook dat wilde ik in Engel bewaren. Je kunt schrijven over geheime organisaties, verdwenen dossiers en technologie die aan het onmogelijke grenst. Maar uiteindelijk moet iemand thuiskomen. Iemand moet aan tafel gaan zitten. Iemand moet vragen waar je geweest bent en waarom je niets hebt laten weten.

De kosmos is groot. De afstand tussen twee mensen aan dezelfde keukentafel kan groter zijn.

De vrouwen die niet netjes in het verhaal blijven zitten

Margaret Atwood en Daphne du Maurier voegden iets anders toe: wantrouwen tegenover verhalen die zichzelf als vanzelfsprekend presenteren.

Bij Atwood is macht zelden alleen een groot systeem ergens boven ons. Ze nestelt zich in taal, gewoontes, lichamen en de verhalen die mensen over elkaar mogen vertellen. Haar werk toont hoe snel iets gewoons een regel kan worden, en een regel vervolgens een waarheid. Maar ook hoe hardnekkig mensen blijven denken, herinneren en weerstand bieden wanneer iemand anders hun werkelijkheid probeert te bepalen.

Daphne du Maurier begreep dan weer hoe een afwezige persoon een hele ruimte kan beheersen. In Rebecca is het verleden niet voorbij. Het woont in het huis, in voorwerpen, blikken en stiltes. De doden blijken soms bijzonder bedreven in het bezetten van kamers.

Dat fascineert me: de manier waarop iemand aanwezig kan blijven zonder er te zijn. Hoe herinneringen niet alleen terugkijken, maar zich met het heden bemoeien. Hoe identiteit wordt gevormd door wat anderen over ons weten, verbergen of beweren te weten.

In Engel zijn herinneringen nooit alleen herinneringen. Ze zijn aanwijzingen, valstrikken en soms kamers waarin iemand het licht heeft uitgedaan.

Atwood en Du Maurier leerden mij bovendien dat spanning niet altijd ontstaat doordat iemand met een mes door een gang loopt. Soms volstaat een naam die te vaak wordt vermeden. Een voorwerp dat niet op zijn plaats ligt. Een zin die vriendelijk klinkt, maar na middernacht toch opnieuw in je hoofd opduikt.

Lachen waar het eigenlijk niet hoort

En dan is er Dimitri Verhulst. De helaasheid der dingen en De laatkomer zijn twee heel verschillende boeken, maar ze maakten om dezelfde reden indruk op mij. Ze tonen hoe humor onderwerpen bespreekbaar kan maken waarvoor een plechtige toon soms te klein blijkt.

Dat klinkt tegenstrijdig, maar verdriet verdraagt niet altijd ernst. Ernst kan iets dichtmetselen. Humor maakt een kier.

De personages bij Verhulst zijn niet grappig omdat hun leven licht is. Ze zijn grappig omdat mensen zelfs in pijnlijke, beschamende of uitzichtloze situaties vreemde dingen blijven doen. Ze liegen, drinken, overdrijven, ontsnappen en maken zichzelf belachelijk. Niet buiten hun ellende, maar er middenin.

Die toon was belangrijk voor EngelTrauma maakt een mens niet voortdurend ernstig. Angst verhindert niet dat iemand op een verkeerd moment iets stoms zegt. Een psychiatrische afdeling bestaat niet uitsluitend uit betekenisvolle stiltes bij regenachtige ramen. Soms is er lauwe koffie. Soms maakt iemand een grap die nergens door de beugel kan. Soms moet je lachen terwijl je eigenlijk besloten had dat de dag daar niet geschikt voor was.

Dat lachen ontkent de pijn niet. Het bewijst dat de pijn niet alles heeft gekregen.

Wat een mens bijeenhoudt

Als ik terugkijk naar deze verhalen, zie ik geen nette lijst van invloeden. Ik zie reisgezelschap.

Een kleine prins op een Frans bankbiljet. Een jongen die op zijn elfde een brief krijgt. Een reporter die zonder toestemming aan een mysterie begint. Een kind dat weigert volwassenheid als eindstation te aanvaarden. Kinderen die slimmer blijken dan de volwassenen rondom hen. Een buitenaards wezen dat alleen maar naar huis wil. Schrijvers die tonen hoe macht zich in taal verstopt, hoe het verleden door een huis dwaalt en hoe humor zelfs de zwaarste onderwerpen een opening kan geven.

Ze vormden niet rechtstreeks het mysterie van Engel. Ze vormden de reden waarom dat mysterie ertoe doet.

Want onder de verdwenen man, het anonieme boek, de schaakstukken, de gewiste dossiers en de grotere vragen ligt iets veel eenvoudigers: een mens die probeert bijeen te blijven. Een echtgenoot. Een vader. Een zoon. Iemand die gekwetst is, maar nog altijd kan kijken met verwondering. Iemand die bang is, maar toch een volgende stap zet. Iemand die soms geen held nodig heeft, omdat hij langzaam ontdekt dat niemand anders hem hoeft te vertellen wat hij wel en niet kan.

Misschien is dat wat al deze verhalen mij uiteindelijk hebben geleerd. Niet dat licht altijd van het donker wint. Zo eenvoudig is het zelden. Wel dat het licht koppig kan zijn. En dat is soms meer dan genoeg.