Er zijn dagen waarop het schrijven vlot, waarop de zinnen zich netjes in de rij zetten als brave schoolkinderen die weten dat de juf toekijkt. En er zijn dagen zoals vandaag, waarop ik om tien uur 's ochtends aan mijn bureau ging zitten met de stellige bedoeling een hoofdstuk af te werken, en om vier uur 's namiddags merkte dat ik zeven tabbladen open had staan over de theoretische mogelijkheid van tijdreizen, twee ervan in het Duits, en niks dat ook maar iets met mijn nieuwe boekprojecten te maken heeft.
"Engel" gaat, voor alle duidelijkheid, niet over tijdreizen. "Engel" gaat over een pak andere dingen, stuk voor stuk minstens even lastig om over na te denken, maar blijkbaar heeft mijn brein vandaag besloten dat de tijd zelf een dringender probleem was dan het probleem dat ik daadwerkelijk moest oplossen. Zo gaat dat, met uitstelgedrag: het kiest altijd het meest sofisticeerde excuus dat voorhanden is.
Tijdreizen is namelijk, dat moet ik toegeven, een schitterend excuus. Het is een van die concepten die zo groot zijn dat je er nooit klaar mee bent, wat het bijzonder geschikt maakt voor mensen die eigenlijk iets anders zouden moeten doen. Neem nu het grootvaderparadox — het klassieke, bijna vermoeiend beleefde scenario waarin je teruggaat in de tijd en per ongeluk (of, wie weet, met voorbedachten rade, want de literatuur is hier zelden mild voor haar personages) verhindert dat je eigen grootvader je grootmoeder ooit ontmoet. Het is een gedachte-experiment dat al honderd jaar meegaat en nog altijd niemand tevreden stelt, wat vermoedelijk ook precies de bedoeling is. Filosofen houden niet van nette antwoorden. Schrijvers al helemaal niet.
Daphne du Maurier begreep dat als geen ander. In The House on the Strand stuurt ze haar hoofdpersonage niet in een machine de tijd door, maar in zijn eigen hoofd, via een drankje dat een vriend-wetenschapper heeft bijeen gekapt in een of ander obscuur keukenlabo. Het verleden bestaat daar niet als een plek waar je fysiek naartoe reist, maar als een obsessie die zich langzaam over het heden legt, tot de twee niet meer van elkaar te onderscheiden zijn en de hoofdpersoon — uiteraard — liever in de veertiende eeuw rondloopt dan zijn eigen, ietwat teleurstellende huwelijk onder ogen te zien. Dat is, denk ik, de kern van wat tijdreizen als literair idee zo onweerstaanbaar maakt: het gaat zelden echt over de tijd. Het gaat over ontsnappen. Wij mensen zijn, stuk voor stuk, kleine Du Maurier-personages die liever ergens anders zijn dan hier, en tijdreizen is gewoon de meest sierlijke manier om dat toe te geven.
En dan is er Dark, de Duitse Netflix-reeks die zich niet tevredenstelt met één tijdlijn wanneer er ook drie, of eigenlijk oneindig veel, kunnen zijn. Wie die serie heeft uitgezeten — en "uitgezeten" is hier het juiste woord, want op een bepaald moment hou je gewoon vol uit koppigheid — weet dat Dark geen enkele moeite doet om het je makkelijk te maken. Grootouders zijn er kleinkinderen van zichzelf, dorpsgenoten blijken hun eigen overgrootouders te hebben gedatet, en de tijdlijn is zo grondig in zichzelf verknoopt dat het bijna een verwijt wordt aan de kijker: dacht je nu echt dat oorzaak voor gevolg komt? De serie fluistert, met de vermoeide autoriteit van iemand die het achttien keer heeft moeten uitleggen: alles is met elkaar verbonden. Het is een deterministisch universum waarin niemand ooit echt kiest, wat, toegegeven, een nogal ontluisterende gedachte is voor een schrijver, wiens hele beroep erin bestaat te doen alsof personages vrije wil hebben terwijl je zelf elk woord dat ze zeggen hebt zitten uitkiezen.
Wie zich liever aan iets luchtigers vasthoudt, kan altijd terugvallen op Stephen Hawking, die ooit een feestje gaf voor tijdreizigers — champagne, ballonnen, het volledige protocol — maar de uitnodigingen pas verstuurde nádat het feest al had plaatsgevonden. De logica was onberispelijk: als tijdreizen ooit mogelijk wordt, zou iemand uit de toekomst de uitnodiging toch vinden en gewoon komen opdagen. Niemand kwam. Het is, denk ik, een van de meest genereuze grappen die een fysicus ooit gemaakt heeft, en tegelijk een van de treurigste: het universum, blijkbaar, laat zich niet vermurwen door goede sier. Borges had het kunnen bedenken. Die schreef in De tuin met paden die zich vertakken al dat de tijd geen rechte lijn is, maar een oneindig web van vertakkende mogelijkheden, waarin elke keuze een nieuwe wereld baart en de oude gewoon blijft voortbestaan, ergens, zonder ons.
Ik zal u de eerlijkheid gunnen die ik mezelf zelden gun: ik heb geen van deze inzichten nodig voor "Engel", voorlopig noch voor andere, nieuwe projecten. Geen kloktijd die achterstevoren loopt, geen grootvaders die zichzelf in de weg lopen, geen dorp waar iedereen elkaars voorouder is. En toch zit ik hier, uren later, met het onbehaaglijke gevoel dat ik wél iets heb geleerd, al was het maar dit: uitstelgedrag is zelf een vorm van tijdreizen. Je springt een namiddag over, ongemerkt, en komt er pas achter wanneer je jezelf 's avonds tegenkomt en je moet uitleggen waar de dag gebleven is. Geen paradox vereist grootvaders. Alleen een schrijver, een deadline, en het aanhoudende vermoeden dat er, ergens in een parallelle tijdlijn, een versie van mezelf zit die dat hoofdstuk allang heeft afgewerkt.
Die versie mag hem anders wel eens hierheen komen sturen. Ik hou het licht aan.